bemesting en wat doet het.............

3 berichten / 0 nieuw
Laatste bericht
#1 di, 26/08/2003 - 02:28
Anoniem (anoniem geplaatst)

bemesting en wat doet het.............

Bemesting

alle planten hebben, evenals de mens, voedingsstoffen nodig voor de groei, het vormen van reservevoedsel en bloei. Deze voedingsstoffen haalt de plant gedeeltelijk uit de lucht en gedeeltelijk uit de bodem. Uit de bodem wordt water en een groot aantal voedingsstoffen opgenomen. Zowel het water als de voeding worden via het wortelstelsel van de plant uit de bodem opgenomen. Deze moet dus zodanige eigenschappen hebben dat de plantenwortel er kan leven. Deze eigenschappen van de bodem noemen we respectievelijk fysische en chemische bodemvruchtbaarheid.

Fysische-bodemvruchtbaarheid
Het vermogen van de bodem om de plantenwortel en daarmee dus de gehele plant voldoende zuurstof, water en de juiste temperatuur te bieden noemen we de fysische bodemvruchtbaarheid.

Er moet voldoende lucht zijn.
Alle levensprocessen eisen energie. Deze wordt geleverd door de ademhaling en hiervoor is zuurstof nodig. Voor de meeste gewassen geldt dat de wortels de zuurstof betrekken uit hun onmiddellijke omgeving. Dit betekent dus dat voldoende lucht aanwezig moet zijn. Dit kan alleen wanneer er niet te veel water in de bodem is.

De grond mag niet te droog zijn.
Zonder opneming van water is geen groei mogelijk. Naarmate er minder vocht in de bodem is, is het voor de plantenwortel moeilijker dit op te nemen. Uit de punten a en b blijkt dus dat het vochtgehalte van de bodem. Niet te hoog en niet te laag mag zijn. Is het te hoog dan is er onvoldoende mogelijkheid voor de zuurstofvoorziening van de plant; anderzijds gaat een te laag bodemvochtgehalte gepaard met verwelken van het gewas.

De temperatuur is belangrijk.
Warmte in de grond is noodzakelijk voor de kieming van het zaad, de groei van de gewassen en voor de werkzaamheden van de lagere bodemorganismen (bijv. bacteriën). In de winter ligt de plantengroei en het leven in de grond bijna stil; in het voorjaar loopt alles weer opnieuw uit. De snelheid waarmee de grond in het voorjaar op, temperatuur komt, is sterk afhankelijk van de hoeveelheid vocht in de grond.

De grond mag niet te dicht zijn.
Tijdens haar groei. door de bodem ontmoet de wortel weerstanden. Deze bepalen in belangrijke mate de groeisnelheid en ontwikkeling van de wortel. Naarmate de grond dichter is zal de weerstand groter zijn. Ook het vochtgehalte is in dit opzicht van belang. in extreem droge gronden is de doorworteling moeilijker

Chemische bodemvruchtbaarheid
Het vermogen van de grond om als voedingsbron voor de plant te dienen noemen we de chemische bodemvruchtbaarheid. Deze wordt dus bepaald door de scheikundige eigenschappen van de grond; men kan hiervan een indruk krijgen door een grondmonster van de bouwvoor of de zodenlaag te steken en dit in het laboratorium te onderzoeken. Deze voedingstoestand is een min of meer tijdelijke eigenschap van de grond. Door bemesting is hij in sterke mate te beïnvloeden.

Plantenvoeding
Zoals we reeds eerder zagen haalt de plant zijn voedingsstoffen uit de lucht en de bodem. De ontdekking dat de plant voor zijn voeding zouten uit de bodem haalt is aanleiding geweest tot het toepassen en ontwikkelen van de zogenaamde kunstmeststoffen. Alvorens deze systematisch te behandelen zullen we ons bezig houden met de vraag waarom we bemesten.

Waarom bemesten
De gewassen nemen min of meer grote hoeveelheden voedingsstoffen op voor hun bloei en groei. daarnaast een deel van de voedingszouten lost in het bodemwater op en wordt hiermee afgevoerd naar diepere lagen die voor de plantenwortel onbereikbaar zijn. Om de voorraad weer op peil te brengen is bemesten noodzakelijk.

De elementen die een plant nodig heeft voor zijn voeding onderscheiden we in hoofdelementen en spoorelementen. Hieronder worden ze in een lijst weergegeven, waarbij het scheikundig symbool eerst wordt gegeven met daarachter de naam.

Hoofdelementen, in elke geval heeft de plant nodig:
N - stikstof, uit de bodem
S - zwavel, uit de bodem
P - fosfor, uit de bodem
K - kalium, uit de bodem
Na - natrium, uit de bodem
Ca - calcium, uit de bodem
Mg - magnesium, uit de bodem
C - koolstof wordt uit de lucht opgenomen als CO2 (koolzuurgas)
0 - zuurstof wordt uit de (bodem)lucht opgenomen
H - waterstof wordt uit de grond opgenomen als water (H20)
Spoorelementen;
Van deze elementen zijn slechts zeer geringe hoeveelheden nodig, vandaar de naam spoorelementen (men denken aan de uitdrukking een spoortje zout). De volgende spoorelementen zijn beslist nodig voor de groei van de plant.

B - borium
Cu - koper
Zn - zink
Mn - mangaan
Fe - ijzer
Mo - molybdeen

Hieronder bespreken we van een aantal elementen waarom ze nodig zijn.

Stikstof (N)
Hoewel dit volop in de lucht aanwezig is kan de plant hiervan geen gebruik maken omdat ze luchtstikstof niet kan binden. Een bepaald type planten, die we de verzamelnaam vlinderbloemigen hebben gegeven (bijv. klaver, lupine, erwt, boon), vormt hierop een uitzondering omdat ze in symbiose (samenleving tot wederzijds nut) leven met wortelknolletjes bacteriën, die voor hen de luchtstikstof binden.

Stikstof heeft in eerste instantie invloed op de vegetatieve delen (blad, stengel) van de plant. Het is een bestanddeel van de eiwitten. Bij stikstofgebrek stagneert de groei, terwijl het blad lichtgroen verkleurt en bij grassen vanaf de top sterft. De symptomen zijn het eerst zichtbaar in de oudere bladeren. Planten kunnen stikstof opnemen in de vorm van nitraten en ammoniumverbindingen; we dienen stikstofmeststoffen dan ook in deze vorm toe.

Fosfor (P)
We kunnen stellen dat fosfor van belang is voor de algehele groei van het gewas en voor de zaadvorming in het bijzonder. Voor grassen is fosfor noodzakelijk omdat het vooral in de begingroei de wortelontwikkeling stimuleert. Bij een tekort aan P krijgt men kleine slecht ontwikkelde planten. Fosfor wordt opgenomen in de vorm van de zogenaamde fosfaten.

Kalium (K)
Het element kalium is geen bestanddeel van de organische stof. Men treft het dus bijvoorbeeld niet aan in koolhydraten en eiwitten. Toch komt kalium in vrij grote hoeveelheden in de plantensappen voor en vervult het enkele belangrijke functies. Het speelt bijvoorbeeld een rol bij het transport van voedingsstoffen in de plant en de waterhuishouding van de plant. Het regelt namelijk de wateropname door de wortels. Kalium bevordert de wateropname en beperkt de transpiratie (verdamping); daardoor is er vooral bij droogte behoefte aan kali. Kalium is zeer beweeglijk in de plant en bij onvoldoende aanvoer uit de grond ontstaan het eerst in de oudere bladeren gebreksymptomen, gewoonlijk gekenmerkt door verdrogende randen. Bij grassen zijn de bladeren geel tot bruin gestreept, terwijl ze vanaf de top en de randen afsterven. De symptomen doen denken aan extreem vochtgebrek. Bij bemesting wordt kalium toegediend in de vorm van zogenaamde kalizouten.

Calcium (Ca)
Calcium is nodig voor de stevigheid van de plant en voor het onschadelijk maken van allerlei giftige stoffen en zuren in de plant. Bovendien heeft calcium een gunstige invloed op de structuur van kleigrond. Deze slaat minder snel dicht, waardoor bijvoorbeeld de waterdoorlatendheid van de grond beter is. Bovendien reguleert calcium voor een belangrijk deel de pH.

Magnesium (Mg)
Magnesium is een van de bouwstoffen van het bladgroen van de plant en kan derhalve niet gemist worden in de plantenvoeding. Te veel magnesium heeft evenwel een schadelijke invloed. Magnesium is zeer beweeglijk in de plant. Bij onvoldoende levering van magnesium uit de grond raken de oudere bladeren het eerst uitgeput en verkleuren helder geel tot oranje. In grassen komt magnesiumgebrek het eerst tot uiting als een schifting van het chlorofyl het geen men ‘tijgering’ noemt. Men denken hierbij aan het patroon op de huid van de tijger. Bij ernstig gebrek verkleuren de bladeren uniform geel. In Nederland worden echter zelden symptomen van magnesiumgebrek in grassen waargenomen.

De elementen stikstof, fosfor, kalium en eventueel calcium zijn meestal niet in voldoende mate in de grond aanwezig. Deze elementen moeten dan ook bijna steeds in de vorm van een bemesting aan de grond worden toegediend.

Beschikbaarheid van voedingsstoffen
Niet alle voedingsstoffen die zich in de bodem bevinden zijn beschikbaar voor het gewas. Zo kan een deel gebonden zijn aan de gronddeeltjes, ook is het mogelijk dat de zouten in onoplosbare vorm in het bodemvocht aanwezig zijn. In het laatste geval kunnen zuren de moeilijk oplosbare zouten in oplossing doen gaan. Een bekend verschijnsel is dat bij koud, schraal voorjaarsweer in het jonge gewas vaak fosfaat - of stikstofgebrek ontreedt. Wordt het weer wat milder dan trekt dit gebrek weg. Er was wel voldoende P en N in de grond aanwezig, maar het was aanvankelijk niet voldoende beschikbaar.
Met dank aan: greenkeeping.nl

Organisch, mineraal of beide? Het belangrijkste verschil tussen deze twee mestsoorten is hun herkomst. Organische mest bestaat uit dierlijke producten. Alle organische mestsoorten hebben met elkaar gemeen dat ze het bodemleven activeren, de humusvorming bevorderen en zo de vruchtbaarheid van de bodem sterk verbeteren. De precieze samenstelling van de afzonderlijke voedingsstoffen varieert sterk. Daarom zijn ze niet geschikt voor de gerichte toevoer van speciale elementen. Bovendien is de beschikbaarheid van de voedingsstoffen niet exact te voorzien. Ze hebben echter één groot voordeel: het zijn uitstekende generalisten. De kans op foutieve bemesting komt met organische mestsoorten, zoals in de handel gebruikt, nauwelijks voor, zelfs wanneer er wordt afgeweken van de aangegeven dosering.

Minerale mestsoorten worden gewonnen uit levenloze grondstoffen. Hierbij kan de samenstelling van de belangrijkste voedingsstoffen nauwkeurig worden gestuurd. Hiertoe behoren stikstof (N)=, dat plantencellen opbouwt en laat groeien, fosfor (P), dat de wortelgroei versterkt en de vorming van bloemen en vruchten stimuleert, en kalium (K), dat de plantencellen temperatuurbestendig maakt, en verder nog belangrijke spoorelementen.

Bij zogenaamde langdurige bemesting worden de voedingsstoffen geleidelijk vrijgegeven. Zo wordt een effect op de korte termijn vermeden en een duurzame verzorging van de planten gegarandeerd. Houdt u bij minerale bemesting streng aan de doseringsvoorschriften. Te veel mest is schadelijk voor de bodem, te weinig mest leidt ertoe dat de planten verhongeren. Inmiddels zijn er ook mestcombinaties met minerale en organische delen verkrijgbaar. Deze organisch-minerale mestsoorten verenigen de voordelen van bodemverbetering en een gerichte toevoer van voedingsstoffen.
met dank aan: Wolf garten

veel succes als u gaat bemesten
met vriendelijke groet,
johan veldhuizen (https://goo.gl/Bgkxvo

di, 26/08/2003 - 19:15
Anoniem (anoniem geplaatst)

Reden voor mij om dit hier te plaatsen was, dat veel van de hier en trouwens op meerdere plaatsen op het net, gestelde vragen terug voeren op, de grond en/of de bemesting, de basis dus eigenlijk, deze uitleg was overigens op verzoek, hoop dan ook er meerdere mensen een plezier mee te hebben gedaan.

met vriendelijke groet,
Johan

wo, 23/06/2004 - 23:39
Anoniem (anoniem geplaatst)

te gek! Deze info kon ik nergens vinden en had ik echt nodig voor mijn PO biologie! Hardstikke bedankt voor de informatie

Onderwerp gesloten